Beste lezer, Collega Hans Cottyn titelde zijn column deze week, bij het overlijden van Leonard Nolens, zo: 'Wie we waren toen we Nolens lazen'. Nolens laat de vroegere versies van onszelf heropleven, door zelf te sterven. Ooit signeerde Nolens aan een hoog tafeltje in De Herbakker, in Eeklo, zijn verzameld werk voor me, op '20 V 05'. Ik weet nog wie ik was, daar en toen, maar kreeg geen hoogte van wie hij was. Schrijven leek me op dat moment, achttien jaar en aan de vooravond van een wereld die zou opengaan, een eiland voor geprivilegieerden. Lezers konden hoogstens vanop een bootje, als toeristen met een telelens, een glimp opvangen. Ze kwamen thuis met boeken als kiekjes, woorden als geprijsde kiezels van het strand. Omdat we gedoemd zijn boeken doorgaans later te lezen dan gepland, lees ik pas nu verder in het verzameld werk (Laat alle deuren op een kier) en in zijn Dagboek van een dichter 1979-2007. Ik lees de dagboeknotitie "Schrijven: een reumapatiënt die zijn tijd besteedt aan het zoeken naar pijnloze houdingen." En het gedicht 'Banneling': "Het is niet iets, het is niet iemand / Die jou gisteren misschien verliet. / Het is niet iets of iemand die je hier / Aan je lot heeft overgelaten vandaag. // Het is het leven zelf, dit licht / Met zijn zo weinig substantieel gezicht." Vandaag geloof ik dat het omgekeerd is. Lezers zijn als eilanden die zelf kiezen wanneer ze bezocht worden. We laten ons begluren, belanden als personages in boeken. Verhalen spoelen als flessenpost aan, die we nieuwsgierig blijven openen. En zo bezitten wij het ware, pijnloze privilege. Want (Nolens): "Misschien is literaire en artistieke schoonheid niets anders dan gematerialiseerde pijn." |